|
Artikel 4
Brons: de belangrijkste grondstof uit die tijd
Getypt door: Gezal Paikar
Mesopotamië, Egypte, China
Meer dan 2000 jaar diende brons, een koperlegering, als belangrijkste grondstof voor wapens en geschut, werktuigen, sieraden en vooral gereedschap. Het kwam op grote schaal voor in alle oude culturen en gaf zijn naam aan een heel tijdperk, de bronstijd.
In het Middellandse – Zeegebied, in India, in China, alle oude beschavingen maakten korte of lange tijd gebruik van brons als belangrijkste materiaal. Brons is een legering, een mengeling van diverse metalen, meestal koper en tin. De Egyptenaren maakten hun wapens en gereedschappen van koper. Het is niet bekend wanneer en waar men ontdekte dat het mogelijk was om het zachte koper te versmelten met tin tot het hardere, duurzamer brons. De oudste bronzen voorwerpen dateren uit het begin van het 3e millennium v.C. en zijn gevonden in het Midden-Oosten, op Kreta en in Egypte.
Toentertijd was het niet eenvoudig om brons te maken. Het grootste probleem was verkrijgen van tin. Mogelijke vindplaatsen bevonden zich in Iran en op Cyprus. Pas vanaf 1600 v.C., toen de Egyptenaren voldoende tin wisten te bemachtigen, ging brons in Egypte een rol van betekenis spelen. De ambachtslieden van de induscultuur daarentegen over heel productieve ertsafzettingen en hun brons bevatte tot 15 procent tin.
De nieuwe bronzen gereedschappen betekende een ommekker in veel ambachten. Men gebruikte metalen zagen, beitels en houtsnijmessen voor het maken van meubels, in de huizenbouw en in de scheepsbouw. Halverwege het 2e millennium v.C. toonden de Chinezen zich meesters in het brons gieten. Klokken en complete carillons waren schitterende voorbeelden van hun giettechnieken. Ook de wapenindustrie profiteerde van het nieuwe materiaal. De Grieken maakten meesterlijke bronzen wapens en wapenrustingen. Al in 2500 v.C. droegen soldaten in de Soemerische stad Ur Bronzen helmen. In Europa deed de helm zijn intrede ten tijde van de Myceense cultuur rond 1300 v.C., toen nog gemaakt van leer. De allereerste helmen in de klassieke Oudheid waren doorgaans van brons. Een bijzonder sierlijk exemplaar is de Corinthische helm met lange wangstukken en opvallende neusbescherming, zoals afgebeeld op vele Griekse vazen. Binnen de Europese cultuur zijn niet alleen de Etruskische bronzen helmen bekend worden, maar ook de Deense. In Viksö (Denemarken) zijn twee beroemde gehoornde helmen van brons gevonden uit de 8e eeuw v.C.
De naam ‘bronstijd’ is in 1836 ingevoerd door de archeoloog Christian Jürgensen Thomsen (1788-1865). Tegenwoordig verstaan we onder bronstijd in Midden-Europa de periode tussen 2200 en 800 v.C., maar in het Midden-Oosten is het de periode tussen 3500 en 1600 v.C. Vanaf ca. 1000 v.C. moest de koper-tinlegering plaatsmaken voor het hardere ijzer, met name voor de wapenproductie. ********* Artikel 3
Getypt door: Gezal Paikar
Pijl en boog: onmisbaar voor jacht en oorlog
Jagers uit het Paleolithicum
De pijl en boog behoren tot de belangrijkste langeafstandswapens die ooit zijn uitgevonden en zijn pas verdwenen na de opkomst van de vuurwapens. Duizenden jaren lang zijn de pijl en boog in gebruik geweest voor de jacht en in oorlogen.
Tijdens het Paleolithicum (30.000 – 20.000 v.C.) gingen de jagers en krijgers hun speren van een afstand gooien, in plaats van ze alleen te gebruiken in gevechten van man tot man. Veel sneller en doeltreffender bleek het om een kleine speer – een pijl – weg te schieten met behulp van een gespannen boog. Zo konden jagers en krijgers hun prooi of hun vijand van veel verder af raken. In het Mesolithicum jaagde men met pijl en boog op edelherten, reeën en everzwijnen. Aan hun pijlen bevestigden de jagers een punt van stukjes vuursteen of plantendoorns.
De boog was doorgaans van iepenhout, met een lengte van 1,5 a 1,9 meter. Helaas zijn er geen exemplaren bewaard gebleven, want hout vergaat vrij snel. Er zijn echter wel indirecte bewijzen gevonden voor het gebruik van de boog, namelijk rechthoekige stenen schilden die de arm moeste beschermen tegen het terugschieten van de pees. Grotschilderingen in Spanje en Zuid-Frankrijk tonen jachttaferelen waarop jagers bewapend zijn met pijl en boog.
‘Ötzi’, het gemummificeerde lijk uit de gletsjer in de vallei van de Ötz, heeft informatie opgeleverd over het gebruik van pijl en boog tijdens de overgangsperiode tussen het Neolithicum en het bronzen tijdperk (3350 – 3100 v.C.). In een gemzenleren koker had de man van Similaun twee pijlen waarop nog steeds sporen van veren te zien waren, alsook 12 schachten van 84 a 87 cm lang. De veren dienden om de pijlen op koers te houden. De boog van Ötzi was nog niet af; zowel de handgreep als de inkepingen ontbraken.
In Egypte bestonden er al heel lang eenvoudige bogen. De muren van de tombe van Toet-Ankh-Amon (ca. 1325 v.C.) waren beschilderd afbeeldingen van een sierlijke, samengestelde boog, een pijlenkoker en een leren armbeschermer. Door diverse lagen hout of hoorn op elkaar te lijmen en af te werken met een gelatinelaagje ontstond een boog die veel sterker en buigzamer was. Op een houten kist in de tombe is de jonge farao afgebeeld terwijl hij op een vis richt; zijn vrouw geeft hem de pijlen aan.
Het oude Rome kende de Sagittarii (van het Latijnse sagitta = pijl), een regiment boogschutters, maar de Romeinen zelf gebruikten aanvankelijk zelden een pijl en boog. Pas na de Tweede Punische Oorlog komt de pijl en boog voor op afbeeldingen. Enige betekenis krijgt het wapen pas in de 3e eeuw n.C., wanneer speciale eenheden uit Syrië en Perzië furore maken als boogschutters in het Romeinse leger.
Vroeg in de Middeleeuwen was de pijl en boog hét wapen van rondtrekkende ridders. Het Byzantijnse leger had tactische eenheden bestaande uit Sagittarii en gewapende ruiters, de Cataphractarii. In de Middeleeuwen herleefde de belangstelling voor de pijl en boog door de lange boog die de legendarische Robin Hood gebruikte.
www.jawananebedaar.nl
Artikel 2
Getypt door: Gezal Paikar
Cijfers: tellen met streepjes Oude culturen Sinds mensenheugenis spelen cijfers een belangrijke rol in het dagelijks leven. Om zich te oriënteren in hun omgeving en hun voorraden te beheren, bedachten mensen een systeem van tekens waarmee ze konden bijhouden hoeveel inwoners een dorpje had of hoeveel dieren ze gedood hadden. Heel vroeger noteerde men aantallen door middel van streepjes, bijvoorbeeld door inkepingen te maken in een stok. Die allereerste natuurlijke getallen vormden de basis voor de hele getallen 1, 2, 3 … en dienden voor praktische doeleinden. Vanaf ca. 30.000 v.C. kerfden de jagers in het stenen tijdperk voor elk dier dat ze doodden een streepje in een bot of stuk hout, om zo het totaal bij te houden. In Dolní Vestonice, in het tegenwoordige Moravië, is een 20.000 jaar oud bot wolvenbot gevonden met 55 inkepingen, netjes in twee rijen van vijf. Een dergelijke methode om te tellen in groepjes van vijf wijst erop dat men de vingers gebruikte als hulpmiddel. Ons huidige decimale stelsel is waarschijnlijk gebaseerd op deze methode. Door ook de tenen te gebruiken ontstond een systeem 20 als uitgangspunt, zoals de oude Egyptenaren, Grieken en Perzen hanteerden. Op veel Egyptische schilderingen en reliëfs staan mensen die aan het tellen zijn of aan het afdingen op de markt. Ook de oude Romeinen gaven getallen weer met verschillende bewegingen met de vingers. Het waren de Soemeriërs en de Babyloniërs die het getal 0 ontdekten. Hun getallenstelsel was gebaseerd op het getal 60. Waarschijnlijk hebben we hieraan onze verdeling van uren in minuten en seconden te danken,evenals de cirkel in 360 graden. De ontwikkeling van getallen hangt nauw samen met die van het alfabet, want de mensen wilden ook opschrijven wat ze precies telden, zoals paarden, slaven, appels of munten. Dat kon met pictogrammen en abstracte tekens. Een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van een complex getallenstelsel was de benaming van de hoofdtelwoorden voor het samenstellen van de overige getallen: vijf plus tien is vijftien, 8 keer honderd is achthonderd enz. Zo was het niet nodig om een eindeloze hoeveelheid namen te verzinnen en bovendien kon men dezelfde getallen combineren tot nieuwe getallen. De numerologie, de leer van de invloed van getallen die orakels veel toepasten, ontwikkelde zich gelijk als het getallenstelsel. Ook nu nog geloven veel mensen dat bepaalde getallen magische krachten hebben. In de oudheid was dit bijgeloof wijd verbreid, vooral in Byzantium. Zo voorspelden mensen het geslacht van hun ongeboren kind of de datum van hun eigen overlijden met behulp van numerologie. Ook legden ze verband tussen astronomische verschijnselen en getallen, waarbij de getallen 30, 12 en vooral 7 een belangrijke kosmische betekenis kregen. De Arabische cijfers die wij tegenwoordig gebruiken, stammen waarschijnlijk uit India. De belangrijkste kenmerken zijn het gebruik van nul als getal en het feit dat de plaats van de getallen bepalend is voor de getalswaarde. Detail van de grotschilderingen in Lascaux. Al in het stenen tijdperk was de mens trots op zijn buit. Om bij te houden hoeveel dieren ze doodden, ontwikkelden de jagers een eenvoudig telsysteem met keepjes of streepjes.
dit is een grotschildering in Lascaux www.jawananebedaar.nl
|