جوانان بيدار

 

Artikel 7

getypt door: Gezal Paikar

 

          

 

De pottenbakkersschijf: impuls voor het aardewerk

 

Mesopotamië 

De pottenbakkersschijf is een prehistorische uitvinding die een onmetelijke invloed heeft gehad op het dagelijks leven door de eeuwen heen. Samen met de boogboor geldt de pottenbakkersschijf als het oudste door de mens ontwikkelde mechanische werktuig.  

De oudste aardewerken voorwerpen dateren uit het Paleolithicum, rond 30.000 v.C. Het waren geen potten, maar ongebakken beeldjes en reliëfs van klei die te maken hadden met godsdienstige rituelen. Vaak stelden ze vogels en dieren voor, of goden en mensen. Waarschijnlijk zijn er een paar per ongeluk in het vuur gevallen, waardoor men erachter kwam dat de hitte de klei sterker maakte. Dit was de eerste stap in het ontwikkeling van het aardewerk.

Aardewerk diende niet alleen voor godsdienstige doeleinden, maar ook voor alledaagse voorwerpen als potten, kruiken en borden. De oudste aardewerk potten uit Japen dateren uit het 11de millennium v.C. Pas 3000 jaar later deed het aardewerk zijn intrede in Mesopotamië en daarna in alle andere beschavingen uit de steentijd. De pottenbakkers maakten alle potten met de hand, op een plaat op de grond. Na het drogen werden de voorwerpen gebakken. Sommige culturen maken popmerkelijk mooi aardewerk volgens deze primitieve methode. Het wezenlijke probleem is echter dat de productie bijzonder veel tijd kost en dat de hoeveelheden beperkt zijn.  

Halverwege het 4de millennium v.C bedachten de pottenbakkers eindelijk iets dat hun ambacht tot ver in de 19de eeuw zou beïnvloeden: de pottenbakkersschijf. Door een klomp klei op een draaiende schijf te leggen konden ze snel en makkelijk gladde, ronde potten vormen. De oudste archeologische sporen van aardewerk gemaakt op een pottenbakkersschijf zijn aangetroffen in Mesopotamië. De potten dateren uit de Uruk-Warka-periode (halverwege het vierdemillennium v.C.). Aanvankelijk paste men een gecombineerde techniek toe, van opbouwen en draaien. De latere potten werden geheel op de schijf gevormd. Al snel verspreidde de techniek zich van Mesopotamië via Kreta naar Griekenland en vandaar naar het westelijke Middellandse-Zeegebied. In Azië zijn de oudste voorbeelden gevonden in China, uit de Longshan-dynastie (ca. 2700-1900 v.C.). 

De pottenbakkersschijf zoals wij die nu kennen, heeft zich ontwikkeld van een eenvoudige, niet gecentreerde schijf tot een primitieve draaischijf op een middenpen. Pas toen de steeds hogere snelheden een grotere stabiliteit vergden, kwam er een stevige, in de vloer verankerde as. Voor de aandrijving zorgden de handen, een riem of een aandrijfas. In het laatste gaval gebruikte men een spaakwiel in plaats van een schijf.  

De met de voet aangedreven schopschijf is een Ptolemïsche uitvinding uit de 1e eeuw v.C. Deze bleef in gebruik tot de komst van de industriële massaproductie in de 19de eeuw. De grote voordelen waren de geruisloze werking en het momentum, waardoor de schijf gelijkmatiger draaide.    

 

www.jawananebedaar.nl

 

 *****

Artikel 6

getypt door: Gezal Paikar

 

 De zonnewijzer: de mens gaat de tijd meten

 

Dit is een zonnewijzer

 

Mesopotamië 

Sinds het ontstaan van de mensheid is de zon het middelpunt van vele beschavingen, vereerd als een leven schenkende godheid. Toen sterrenkundigen ontdekten dat de zon zich verplaatste aan de hemel konden ze eindelijk aan een oplossing werken voor een aloud probleem: het meten van de tijd.

 Voordat er andere eenheden bestonden voor het afmeten van de tijd, was een dag gelijk aan de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang. Die tijdsduur was bepalend voor de dagindeling van werken en rusten. De beste tijd om te zaaien en te oogsten werd bepaald door te kijken naar de stand van de sterren of aan de hand van natuurverschijnselen. Er waren geen vaste referentiepunten voor het indelen van de tijd tussen ochtend en avond. Een belangrijk houvast was de stand van de zon in relatie tot oriëntatiepunten in het landschap. In tegenstelling echter tot de maan, waarop de kalender gebaseerd was, kon men de felle zon niet rechtstreeks observeren. Bij toeval ontdekten de Mesopotamiërs hoe schaduwen veranderden in de loop van de dag. Zo verplaatste de schaduw van een obelisk zich geleidelijk door de hele zuil. Bij zonsopgang wees de schaduw naar het westen, halverwege de dag naar het noorden, `s avonds naar het oosten.`s Morgens en `s avonds was de schaduw langer dan midden op de dag.  

Geïnspireerd door dit fenomeen construeerden de Mesopotamiërs en de Babyloniërs de eerste zonnewijzer. Die bestond uit een loodrechte schaduwwijzer, de gnomon, op een horizontale plaat met hoekige lijnen. De schaduw van de gnomon verplaatste zich over de lijnen en gaf zo de tijd aan. Op basis van het zestigtallige stelsel, waarin de getallen 6, 24 en 600 een bijzondere betekenis hadden, verdeelden de Babyloniërs de dagelijkse omloop van de zon in 24 uren van elk zestig minuten. Aangezien een uur altijd het 12e deel was van de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang, duurde een uur soms korter en soms langer. de lengte van de dagen verandert immers in de loop van het jaar. 

De Egyptenaren bedachten een praktischer toepassing van de Babylonische methode. Op een fragment van een draagbare Egyptische zonnewijzer uit ca. 1500 v.C. zijn zes streepjes te zien die de lengte van de schaduw aangeven. Met behulp van die tabel konden ze die lengte omzetten in de juiste tijd voor een bepaalde geografische breedte. 

De tijdmeters van de oude Grieken en Romeinen waren gebaseerd op de holle, halfronde zonnewijzer die waarschijnlijk rond 300 v.C. ontwikkeld is door de Babylonische sterrenkundige Beroses. Bij deze hemicyclus staat de schaduwwijzer in een halfronde kom en valt de schaduw op een halfronde boog. Een stel van uurlijnen en dagbogen geeft de tijd en de datum aan. Ook de stand van de zon en de geografische breedte zijn af te lezen.  

Met de uitvinding van de mechanische klok in de 14de eeuw verloor de zonnewijzer geleidelijk zijn betekenis. Zonder de zonnewijzer was de mens echter niet in geweest om de belangrijke werkzaamheden te plannen en daarom is dit instrument onmisbaar geweest voor de communicatie en de handel.

 

 www.jawananebedaar.nl

 &&&&&&&

Artikel 5

getypt door: Gezal Paikar

 

De lamp:licht in de duisternis

 

   

 

 

 

neolithische cultuur

 

 Het licht aandoen is iets waar niemand tegenwoordig bij nadenkt. Tot de uitvinding van het elektrische licht was de mens echter afhankelijk van vuur, olie of gas om te zien in het donker. De lamp verlichtte de donkere huizen of verlengde de dagen. Ook speelde hij een belangrijke rol in rituelen.

 

De ontwikkeling van de lamp begon met de onderwerping van het vuur. Tegen 75.000 v.C. dienden brandende stukken hout als primitieve toortsen. In het Paleolithicum waren de lampen iets verfijnder: een natuurlijke holte in een steen, gevuld met talg en een lont gemaakt van plantenvezel. Kleine stenen leverden zelfs draagbare lampen op.

 

Om hun lampen makkelijker mee te nemen gingen de mensen zelf holten uitschrappen in steen. Zachte speksteen was ideaal daarvoor. Vanaf 20.000 v.C. dienden dierlijk vet en olie als brandstof voor lampen. De drijvende lont bestond nog steeds uit plantenvezels. Deze stenen lampen waren de voorlopers van de schaalvormige lampen van klei.

 

In het oude Egypte kende men talloze variaties op schaalvormige lampen, gemaakt van klei, steen of metaal. Ook bestonden er luxe uitvoeringen zoals de lotusbloemenlamp met drie holten uit één stuk albast, die gevonden is in het graf van Toet-Ankh-Amon (1325 v.C.). Het licht dat door het transparante metaal scheen, toverde mysterieuze patronen op de muur. Aan de lampolie voegden de Egyptenaren zout toe om te voorkomen dat de lamp ging walmen.

 

Net als de Romeinen gebruikten de Grieken doorgaans toortsen voor religieuze doeleinden. In het dagelijks leven deden twee soorten lampen hun intrede die eeuwenlang onveranderd bleven: de open en de gesloten lamp. De gesloten lamp gaf minder kans op morsen van olie. De schaalvormige lampen een tuit waar de lont in ging. Vaak waren ze versierd met glanzend glazuur of geometrische patronen. De metalen lampen waren dikwijls uitgevoerd in een vorm van een dier. De kleilampen uit de Hellenistische en Romeinse tijd bestonden in allerlei soorten, bijvoorbeeld in een vorm van een vogelkop.

 

Om de lichtopbrengst zette men vaak een spiegel achter de vlam. Soms waren die overdadig versierd; het populairst waren erotische motieven. In de landen rond de Middellandse Zee ontstond een bloeiende lampenproductie. Naast de modellen met één tuit waren er speciale uitvoeringen met een hele rij lonten en lampen in de vorm van schepen, hoofden of dieren. In Pompeii is zelfs een zuiver gouden lamp gevonden. Lampen speelden een belangrijke rol in het dagelijks leven van de Romeinen, maar ook in hun begrafenisrituelen. Vanaf de begintijd van het keizerrijk was het vrij lang de gewoonte om de overledene een of twee lampen mee te geven, zodat hij of zij de weg kon vinden in het donkere hiernamaals. In de late oudheid en de Byzantijnse tijd ging de voorkeur uit naar glazen lampen aan een wielvormige of metalen standaard. Ook kaarsen raakten in zwang. Het gevolg was dat de productie van kleilampen afnam of geheel ophield.     

 

 

www.jawananebedaar.nl