
Een gezicht voor gevluchte
kinderen

ACHTERGROND, verslaggeefster Aimée Kiene
gepubliceerd op 28 mei 2008
Amersfoort - Zo ongeveer een jaar geleden, in de ‘nadagen’ van het
generaal pardon voor ruim 27 duizend asielzoekers, kwamen bij de
internationale kinderrechtenorganisatie Defence for Children brieven
binnen van kinderen die al heel lang in Nederland zijn, maar toch niet
in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning.
Het waren brieven van
kinderen van wie de ouders (meestal de vader) worden verdacht van
oorlogsmisdaden. Zij worden ‘1F-vluchtelingen’ genoemd, naar artikel 1F
in het Vluchtelingenverdrag, waarin staat dat verdachten van
oorlogsmisdaden of misdrijven tegen de menselijkheid geen recht hebben
op asiel.
Van deze vluchtelingen,
van wie meer dan de helft in Afghanistan bij de veiligheidsdienst heeft
gewerkt, staat meestal niet vast dat zij oorlogsmisdaden hebben
gepleegd. Zij worden in de meeste gevallen niet vervolgd, omdat het OM
het bewijs niet rond kan krijgen. En zij mogen ook niet worden uitgezet,
omdat zij in hun moederland vaak gevaar lopen, en dat is dan weer in
strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Ongeveer zevenhonderd van
deze vluchtelingen verkeren al jaren in onzekerheid. En hun kinderen dus
ook. Kinderen mogen niet de dupe worden van de eventuele fouten die hun
ouders hebben begaan, vindt Defence for Children. Deze kinderen zijn
‘geworteld’ in de Nederlandse samenleving en hebben er recht op om
zelfstandig verblijfrecht te krijgen.
Samen met de organisatie
Justitia et Pax begon Defence for Children het comité Foute Kinderen
Bestaan Niet, om in de politiek aandacht te vragen voor de positie van
kinderen van 1F-vluchtelingen in Nederland, en om staatssecretaris
Albayrak (Justitie) te dwingen een regeling voor hen te treffen. De
staatssecretaris zal waarschijnlijk deze week een brief aan de Tweede
Kamer sturen, waarin zij toelicht wat zij met deze vluchtelingen en hun
kinderen van plan is.
Het comité heeft gezicht
gekregen door vijf gedreven meiden uit Afghanistan. Ze wonen ongeveer
tien jaar in Nederland. Ze gaan hier naar school, hebben hier hun
vrienden en vriendinnen. Ze begrijpen niet waarom bijna alle
vluchtelingen die ze kennen die langer dan vijf jaar in Nederland wonen
onder de pardonregeling vallen, en zij niet.
‘Wat is het verschil?’,
vraagt Azita Masa (17) uit Luttelgeest zich af. ‘Hebben wij minder
rechten?’ De meiden hebben veel media-aandacht gekregen voor hun
boodschap. Zij worden gesteund door organisaties als Amnesty
International, Vluchtelingenwerk en de Raad van Kerken.
Vorige week bracht de
Adviescommissie Vreemdelingenzaken advies uit aan de staatssecretaris
over dit onderwerp. De commissie vindt dat 1F-vluchtelingen die na hun
asielprocedure al langer dan tien jaar in Nederland wonen een
verblijfsvergunning zouden moeten krijgen.
Dat lijkt goed nieuws,
maar Defence for Children is teleurgesteld. Het grootste bezwaar is dat
het advies alleen gaat over meerderjarigen.
Volgens juriste Carla van
Os van de kinderrechtenorganisatie heeft de adviescommissie het probleem
van de kinderen wel erkend, maar daar geen oplossing voor geopperd.
Van Os: ‘De meiden van het
comité worden over niet al te lange tijd achttien. Maar zij maken zich
zorgen over de situatie van hun broertjes en zusjes.’
Van Os is bang dat de
staatssecretaris het advies van de commissie gaat opvolgen. ‘Als dat
gebeurt, worden de rechten van deze kinderen nog steeds niet erkend. Dan
blijven ze een juridisch aanhangsel bij hun ouders.’
Bron: De Volkskrant
www.jawananebedaar.nl
|