جوانان بيدار

 

‘Wij zijn kinderen, we zijn geen vuilnis’

 

 

Een jongen en een meisje vlak voor de les op een schooltje voor Afghaanse vluchtelingen in een zuidelijke wijk van Teheran. Rechts staat lerares Parvaneh. (Foto Hasan Sarbakhshian)

 

verslaggever Henk Müller

Bron: De Volkskrant,

Teheran - ‘Daar lag hij’, zegt Parvaneh, terwijl ze naar de spoorlijn wijst die dwars door de Afghaanse wijk in zuid Teheran voert. Af en toe klinkt het gefluit van een voorbij rijdende trein, voor de rest hoor je alleen de wind waaien. ‘Milad was nog maar negen jaar, en ze hebben hem naast de spoorlijn gevonden. Gewurgd met zijn eigen broek’.

Parvaneh Vahidmanesh (26) werkt in deze wijk als vrijwilliger op een schooltje met kinderen van Afghaanse vluchtelingen. Het is een van de armste wijken van de stad. Het jongetje was een van haar leerlingen.

Overal liggen papier en afval, de huizen en barak-achtige complexen zijn stoffig. Op straat lopen groepjes in chador gekleden vrouwen en een enkele motorrijder zigzagt om hen heen. De mannen kijken argwanend naar bezoekers, de vrouwen slaan hun hoofddoek nog eens extra goed om.

Verzen

Milad, vertelt Parvanah, probeerde in het onderhoud van zijn illegale vluchtelingenfamilie te voorzien door blaadjes met dichtregels van de middeleeuwse Iraanse dichter Hafez te verkopen. Die verzen zijn er bij Iraniërs met de paplepel ingegoten en in Iran minstens zo bekend als Koran-verzen.

Zo zijn er nog duizenden Afghaanse straatkinderen die de dichtregels aan de man brengen. Op straat, op pleinen en bij stations. In Iran gelden ze als een soort Chinese gelukskoekjes. De verkoper houdt een stuk of tien velletjes op, de klant pikt er een uit, het vers voorspelt de toekomst en brengt geluk. Milad brachten ze de dood.

Of het jongetje slachtoffer is geworden van seksueel geweld is niet officieel bekend gemaakt, zegt Parvaneh. De politie bezocht weliswaar de school, die vlakbij de spoorlijn ligt, maar vertelde niets. ‘De politie heeft niet zo’n goede band met gevluchte, illegale Afghanen’, zegt ze met gevoel voor understatement. ‘Ze gaan heus niet op zoek naar een dader, Afghanen zijn niks voor ze, puur afval.’ Voor haar staat het vast dat het kind slachtoffer werd van seksueel geweld.

 

Vrolijk

Zo kil en gruwelijk de buitenwereld soms is, zo warm en vrolijk gaat het eraan toe als je de poort van het schooltje eenmaal doorbent. ‘Juf, juf, daar ben je: wat leuk’, roept een klein Afghaans meisje dat naar Parvaneh toe holt en aan haar rokken gaat hangen. In een mum van tijd stromen tientallen kinderen toe: meisjes én jongens die hier gemengd les krijgen, in de rest van Iran iets ongehoords.

Het is dringen geblazen in het schooltje, waar beneden een drietal hokken is ingericht als leslokaal. Via een metalen trap kom je op een plat dak waar nog twee leslokalen zijn gebouwd. In een hoekje staan tientallen kinderen bij een vrouwelijke arts die af en toe – ze kan haar lach nauwelijks inhouden – roept of de dames en heren haar wat ruimte willen geven. Anders kan ze de kinderen niet onderzoeken.

Per dag, krijgen hier vijfhonderd kinderen les, in drie groepen die elkaar van 8 uur in de ochtend tot twee uur ‘s middags verdringen. Narges Hassanli (24) staat aan het hoofd van de vaste kern van vijftig vrijwilligers, meest artsen, leraren en psychologen. Ze runt de school vanuit een hokje bij de ingang waar de enige computer staat.

 

Vuilnis

 ‘Iran telt officieel zo’n 900 duizend Afghaanse vluchtelingen, maar daarnaast zijn er nog een miljoen illegale Afghanen’, zegt Narges. ‘De ouders van de meeste kinderen hier op school zijn illegaal, en de kinderen werken op straat of als hulp in de huishouding. Hier zijn de meeste kinderen tussen de zeven en vijftien jaar oud. We leren ze rekenen, geven ze taallessen, geven melk en eten, en proberen ze wat eigenwaarde bij te brengen.’

Dat is hard nodig, want de Afghanen – legaal of illegaal – worden in Iran qarase, vuilnis, genoemd. De ouders van de kinderen ontvluchtten eerst de Russen en later de Taliban om hun heil te zoeken in Iran. Het land heeft een enorme stroom Afghaanse vluchtelingen opgenomen maar Iraniërs beschouwen hen op zijn best als tweederangs mensen, en op zijn slechtst als honden met wie je kan doen wat je wilt.

 

Logisch

Voor de Afghanen zelf was het een logische stap om naar Iran te vluchten. Eeuwenlang vormden Iran en Afghanistan een ondeelbaar geheel, onder dezelfde heersers, met dezelfde gewoonten en met vrijwel dezelfde taal. Het Afghaanse Dari, een variant van het Perzisch, is voor de Iraniërs net zo goed verstaanbaar als Vlaams voor Nederlanders. De hondse behandeling die Afghanen doorgaans te beurt valt, komt daarom extra hard aan.

Iran is er veel aan gelegen om het leven van de vluchtelingen zo onaangenaam mogelijk te maken. Ze worden gedoogd zolang ze als goedkope, rechtenloze arbeiders dienst kunnen doen. Maar onder president Ahmadinejad gaat het, ondanks de torenhoge olieprijs, economisch niet goed en de werkloosheid is hoog. Afghanen pikken Iraanse banen in, is een veelgehoorde klacht. Teheran is daarom voornemens honderdduizenden Afghanen het land uit te zetten.

In de aanloop valt de politie de Afghanen geregeld lastig – ook bij deze school. Drie keer viel de politie binnen en werden kinderen weggevoerd. Drie keer werd de school gesloten omdat ‘buitenlandse mogendheden er invloed zouden hebben’. Idioot, noemt Narges dat. ‘Onze leraren zijn Iraniërs. Soms krijgen we wat steun van buiten, maar dat is omdat Iran zelf niets doet.’ Dankzij de steun van een paar invloedrijke sympathisanten in Teheran, wist de school tot nu toe open te blijven.

 

Straat

De organisatie Bescherming van Straatkinderen en Kindarbeiders runt de zorg en het onderwijs van deze Afghaanse kinderen die – al dan niet met familie – op straat leven. Vanaf hun zevende werken ze in garages, naaiateliers, tapijtweverijen en soms als hulp in de huishouding. Of als prostituee.

Parvaneh wijst discreet op twee meisjes van dertien, die giechelend in een hoekje staan en grapjes maken met een jongetje dat zo uit de film De Vliegeraar kan zijn weggelopen. ‘De school probeert ze te helpen, we vertellen ze dat ze niet moeten meegaan met mannen, maar soms zijn de ouders zo arm dat de kinderen geen andere uitweg zien’, zegt Narges.

Als het aan Rahmat (14) ligt gaat dat allemaal veranderen. Hij werkt van acht uur ‘s morgens tot acht uur ‘s avonds in een garage voor 17 dollar per week. Een paar keer per week gaat hij tussendoor naar school. Die uren verdient hij niks, maar dat heeft Rahmat er voor over, zelfs al moet hij een familie van zeven onderhouden.

‘Ik moet naar school. Het liefst word ik president, maar rechter is ook goed. Dan ga ik kinderen helpen. Ik ga iedereen veroordelen die kinderen dwingt te werken, of zomaar oppakt of slaat.

Wij zijn kinderen, geen vuilnis.’

 

 

www.jawananebedaar.nl