جوانان بیدار

 "Wereld heeft te weinig oog voor kinderen"

 

NEW YORK, 1 april 2008 (IPS) - Bijna twintig jaar na de Conventie voor de Rechten van het Kind lijden wereldwijd 2,2 miljard kinderen onder armoede, analfabetisme, seksueel misbruik en militaire conflicten. “Zoals met zoveel wereldwijde conventies, bestaat er een grote kloof tussen beloften en de realiteit”, zegt Agneta Ucko, de directrice van de in Genčve gevestigde Kinderrechtenorganisatie Arigatou International.

De Verenigde Naties herdenken volgend jaar de twintigste verjaardag van de Conventie voor de Rechten van het Kind. Ucko wijst erop dat de internationale gemeenschap miljarden dollars beloofd heeft om het door oorlog getekende Afghanistan op te bouwen. “De Afghanen wachten nog steeds op het moment dat de wereld die beloften nakomt”, zegt Ucko, die tevens algemeen secretaris is van de Interfaith Council on Ethics Education for Children.

Volgens het Afghaanse ACBAR, een orgaan dat hulp coördineert, is slechts vijftien miljard dollar van de sinds 2001 beloofde hulp van 25 miljard dollar uitgegeven. En van die vijftien miljard vloeide ongeveer 40 procent weer terug naar donorlanden, omdat het werd betaald aan buitenlandse bedrijven en salarissen van consultants.

Het nog steeds voortdurende militaire conflict in Afghanistan heeft vooral een verwoestende invloed op de levens van vrouwen en kinderen. “De internationale gemeenschap voelt zich zeker betrokken bij de nood van kinderen, maar is niet gewend om die kinderen centraal te stellen”, zegt Ucko.

De VN-Conventie voor de Rechten van het Kind uit 1989 werd in 2002 gevolgd door een VN-Actieplan onder de naam A World Fit for Children. Desondanks heeft een kind dat wordt geboren in Afrika bezuiden de Sahara, een kans van een op zes om voor het vijfde levensjaar te overlijden. Volgens het VN-Kinderfonds Unicef sterven dagelijks meer dan 27.000 kinderen, voornamelijk aan ziekten die te voorkomen zijn.

Van de elf landen waar 20 procent (of meer) van de kinderen voor het vijfde levensjaar overlijdt, heeft meer dan de helft na 1989 te maken gehad met een ingrijpend gewapend conflict. Het gaat om Afghanistan, Angola, Burkina Faso, Tsjaad, de Democratische Republiek Congo, Equatoriaal-Guinea, Guinee-Bissau, Liberia, Mali, Niger en Sierra Leone.

IPS: Is er bij de internationale gemeenschap te weinig politieke wil om iets te doen aan de problemen van kinderen?

Agneta Ucko: “Waarschijnlijk ontbreekt het niet aan goede wil. Maar we realiseren ons te weinig dat er moed nodig is om een wereld te creëren waarin kinderen tot hun recht komen. Daarvoor is actie nodig tegen een houding waarin kinderen uitgebuit worden, of dat nou is in de seksindustrie of in situaties waarbij ze worden ingezet als soldaten of arbeidskracht. Laten we niet vergeten dat pas in onze tijd kinderen centraal gesteld worden. In vroeger tijden werden ze slechts gezien als potentieel productieve volwassenen.”

Uit de laatste cijfers van Unicef blijkt dat wereldwijd 93 miljoen kinderen in de basisschoolleeftijd niet naar school gaan, inclusief 41 miljoen kinderen in Afrika bezuiden de Sahara, 31,5 miljoen in Zuid- Azië en 6,9 miljoen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Wat zou er moeten gebeuren om dat te veranderen?

Iedereen is het erover eens dat onderwijs erg belangrijk is. Wat nodig is, is dat er een beweging ontstaat die zich inzet voor fondsenwerving en infrastructuur, zodat duurzame onderwijssystemen opgezet kunnen worden. Onderwijs is een bedreiging voor veel eenpartijstaten waar onderwijs gebruikt wordt om politieke standpunten te rechtvaardigen en aan de macht te blijven. Het maatschappelijk middenveld zou zich meer bewust kunnen inzetten voor het recht van kinderen op onderwijs

 

 

www.jawananebedaar.nl