Socialisme en
Darwinisme

2009 Darwinjaar
Op 12
februari 2009 was het 200 jaar geleden dat Charles Darwin (1809-1882)
werd geboren en op 24 november is het 150 jaar geleden dat The Origin of
Species werd gepubliceerd.
Italiaans schilderij uit omstreeks 1890
met portret van Charles Darwin (1809-1882) en titels van enige van zijn
boeken. (Foto: WikiMedia)
(*)
Eugenetica
is het
streven om met behulp van wetenschappelijke kennis de menselijke soort
te verbeteren. Wat in dit verband als goed en beter, of slecht en
slechter, wordt gezien, heeft direct te maken met onze visies op de mens
en het leven. Het is dus politiek en daardoor zeer gevaarlijk.
Eugenetica is het streven naar de verbetering van de mensheid door
middel van selectie. Het onjuiste uitgangspunt daarbij is dat alleen
gezonde en in alle opzichten zo perfect mogelijke individuen zich zouden
mogen voortplanten.
Daphne Liddle
Dit jaar
herdenkt men wereldwijd dat 200 jaar geleden Charles Darwin werd
geboren, een timide natuuronderzoeker die het wetenschappelijk
establishment op zijn grondvesten deed schudden, omdat hij voor zichzelf
en de wereld de bewijzen voor zijn wetenschappelijke waarnemingen niet
kon ontkennen: hoe de soorten van de ene in de andere evolueren.
In 1831,
na het behalen van zijn studie theologie, ondernam hij een reis van vijf
jaar met het schip 'The Beagle'. Als natuuronderzoeker bestudeerde hij
planten en dieren van alle plaatsen die dit schip aandeed. Op de
Galapagos Eilanden in de Grote Oceaan viel hem op dat op de
verschillende eilanden veel dieren leefden die veel op elkaar leken maar
toch verschillende soorten waren. Hij ontdekte bijvoorbeeld dat de
vinken op één van de eilanden korte, sterke snavels hadden, ideaal voor
het kraken van zaden, terwijl de vinken op een ander eiland langere,
dunnere snavels hadden, ideaal voor het uitgraven van insecten. Door
natuurlijke selectie waren er 13 verschillende vinkensoorten ontstaan.
Hij kon
niet anders dan concluderen dat ze een gemeenschappelijke voorouder
hadden maar, geïsoleerd door de oceaan en doordat ze niet met elkaar
konden paren, hadden zij zich ontwikkeld op een manier waardoor zij op
elk eiland zo waren aangepast dat ze konden gebruikmaken van de beste
voedselbronnen van dat eiland. Op die manier ontstonden verschillende
ondersoorten.
Dit
impliceerde dat alle soorten van planten en dieren afstammen van
gezamenlijke voorouders, in oorsprong primitieve, eencellige organismen,
en zich vervolgens verschillend ontwikkeld hebben, om te kunnen gedijen
onder steeds veranderende condities en in uiteenlopende omgevingen.
Deze
gevolgtrekking stond lijnrecht tegenover de teksten in de Bijbel, waarin
in het boek Genesis wordt beweerd dat alles wat leeft is geschapen door
God, exact zoals ze er vandaag de dag uitzien, en dat er zich sindsdien
geen veranderingen in deze creatie hebben voorgedaan.
Darwin
wist dat zijn bevindingen een enorme opschudding zouden teweegbrengen,
daarom stelde hij de publicatie ervan twintig jaar uit. Hij publiceerde
zijn 'The Origins of the Species' aanvankelijk niet, tot 1859, toen hij
erachter kwam dat een andere wetenschapper, Alfred Russell Wallace, op
het punt stond een zeer vergelijkbaar onderzoek te publiceren.
Eén van
de eersten die Darwin feliciteerde met zijn publicatie was Karl Marx,
die hem een exemplaar stuurde van 'Das Kapital'; Darwin is er naar
verluidt nooit aan toegekomen om het te lezen. Marx wees erop dat
Darwins verklaring van de evolutie van het leven in al zijn
verscheidenheid, zonder tussenkomst van God, consistent was met zijn
eigen verklaring van de evolutie van de menselijke maatschappij en dat
de algemene theorie over de natuur samenviel met de algemene theorie
over de samenleving.
Maar Marx
en Engels waren het niet eens met alle conclusies en beweringen van
Darwin. Zij waren het met name oneens met Darwins idee dat de evolutie
een geleidelijk proces is. Zij gingen er juist vanuit dat het een
dialectisch proces is: een lange, langzame opbouw tot er een
plotselinge, snelle verandering plaatsvindt.
Darwin
was ervan overtuigd dat voordat lange fossielen bewijs zouden leveren
voor een lange, langzame periode van verandering van de ene soort naar
de andere, er bewijs gevonden zou worden voor het bestaan van giraffen
met een middelmatige neklengte, enzovoort.
Weliswaar
komen dergelijke tussenliggende stadia van de evolutie langzamerhand aan
het licht, maar deze zijn toch beduidend zeldzamer, omdat in
evolutionaire termen de veranderingen dialectisch en 'snel' hebben
plaatsgevonden (dan praten we in de meeste gevallen nog altijd over
duizenden jaren). Daar waar de veranderingen zijn teweeggebracht door
plotselinge veranderingen in de omgeving hebben ze zich voorgedaan
binnen enkele generaties.
Het
overzicht van geregistreerde fossielen toont dat er zes grote massale
overgangen hebben plaatsgevonden: aan het begin en eind van de Cambrium
periode (respectievelijk 600 miljoen en 500 miljoen jaar geleden), aan
het eind van zowel het Devoon (345 miljoen jaar geleden), het Perm (225
miljoen jaar), het Trias (180 miljoen jaar) als het Krijt (63 miljoen
jaar geleden).
In
omstandigheden waarin een snelle verandering van de omgeving plaatsvindt
worden vele soorten volledig weggevaagd. Van sommige soorten zullen
slechts enkelen overleven, degenen die een genetische variatie hebben
waardoor zij beter in staat zijn om zich te handhaven in de nieuwe
omgeving. De overlevenden hebben alleen elkaar om zich voort te planten
en op die manier wordt de cruciale genetische variatie - en andere
variaties die minder relevant zijn in het kader van overleven - al snel
een bepalende karakteristiek van de soort en binnen korte tijd zo
overheersend dat een nieuwe soort is ontstaan.
De
Russische marxist Plechanov [nvdr: 1856-1918] schreef: "Moderne
evolutionisten introduceren een behoorlijke dosis conservatisme in hun
leer. Ze willen bewijzen dat er geen plotselinge veranderingen of
sprongen plaatsvinden, noch in de natuur noch in de menselijke
geschiedenis. Dialectici aan de andere kant zijn zich er volledig van
bewust dat in zowel de natuur als het menselijke gedachtegoed en de
geschiedenis dergelijke sprongen onvermijdelijk zijn. Tegelijkertijd
ontkennen ze niet dat hetzelfde ononderbroken proces aan het werk is in
alle fases van verandering. Zij spannen zich echter in om de reeks van
condities in kaart te brengen waaronder geleidelijke verandering
noodzakelijkerwijs leidt tot een plotselinge verandering."
Verandering kan ook worden veroorzaakt door geografische isolatie,
waarbij een kleine populatie is losgeraakt of gescheiden van de
oorspronkelijke, grotere populatie. Dit type van de vorming van nieuwe
soorten, genaamd 'trallopac', maakt het mogelijk dat een snelle evolutie
plaatsvindt. Zodra een voorouderlijke soort is afgescheiden stopt de
onderlinge kruising en worden de genetische veranderingen in beide
groepen apart ontwikkeld. De genetische veranderingen kunnen zich binnen
de kleinere populatie, in vergelijking met de grotere voorouderlijke
populatie, echter veer sneller verspreiden.
Een
dergelijke situatie kan ontstaan door natuurlijke selectie in reactie op
klimaatveranderingen en geografische factoren. Als de twee populaties
zich gescheiden verder ontwikkelen bereiken zij uiteindelijke een punt
waarop er twee soorten zijn ontstaan. Kwantitatieve veranderingen hebben
geleid tot een kwalitatieve verandering. Als deze soorten elkaar in de
toekomst weer tegenkomen dan zijn ze genetisch zo verschillend dat zij
niet in staat zijn zich succesvol met elkaar te vermenigvuldigen.
Engels
schreef: "Het organische proces van ontwikkeling, zowel van het individu
als van de soorten, door differentiatie (zich verschillend ontwikkelen)
is de meest duidelijke test van rationele dialectiek." En: "Hoe verder
fysiologie zich ontwikkelt, hoe belangrijker deze voortdurende,
oneindige kleine veranderingen worden voor deze wetenschap, en in het
verlengde daarvan: hoe belangrijker het wordt om ook rekening te houden
met verschillen binnen een identiteit. Het oude abstracte standpunt over
een formele identiteit, dat een organisch wezen behandeld moet worden
als iets dat eenvoudig identiek is met zichzelf, als een constante,
wordt achterhaald." Engels concludeert vervolgens: "Als de individuen
die zich hebben aangepast overleven en zich ontwikkelen tot een nieuwe
soort door een voortdurende toename van aanpassing, terwijl de andere
meer stabiele individuen uitdunnen en tenslotte uitsterven en met hen de
onvolmaakte tussenstadia, dan kan dit gebeuren en het gebeurt ook zonder
'Malthusianisme', en als dit laatste zich toch zou voordoen dan maakt
dit geen verschil voor het proces, het kan het hoogstens versnellen."
Direct
vanaf de eerste publicatie van 'The Origins of the Species' hebben
kapitalistische theoretici geprobeerd het boek te gebruiken om de
meedogenloze en zeer competitieve maatschappij die ze hebben gecreëerd
te rechtvaardigen.
De
volgelingen van Thomas Malthus beweerden, in 1789, dat in de "strijd van
het leven" er altijd verliezers zullen zijn, er zullen altijd mensen
zijn die arm zijn en de hongerdood sterven. Proberen dit recht te zetten
door liefdadigheid of sociale zorg aan de armen te geven zal hen alleen
maar aanmoedigen zich meer voort te planten. "De bevolking, indien niet
belemmerd, neemt toe in geometrische hoeveelheden. Bestaansmiddelen
nemen alleen maar toe in rekenkundige/aritmetische hoeveelheden."
(Thomas Robert Malthus, 'The Principle of Population'.) Uiteindelijk, zo
redeneert hij, zal dit leiden tot veel meer mensen die sterven van
armoede en honger. Hij was geobsedeerd door de gevaren van
bevolkingsgroei.
Dit paste
goed bij Darwins idee dat natuurlijke selectie plaatsvindt door de
overleving van de sterkste en, ook al is de natuur wreed, de soorten
zouden niet in staat zijn zich verder te ontwikkelen als degenen met de
inferieure genen 'kunstmatig' geholpen worden om te overleven en zo hun
'zwakheden' kunnen doorgeven aan toekomstige generaties.
Sindsdien
hebben vele rechtse denkers geprobeerd dit punt te gebruiken om het
klassensysteem te rechtvaardigen, met het argument dat de rijken en
machtigen de top van de maatschappij hebben bereikt doordat zij
genetisch superieur zijn - en niet doordat zij hebberiger en agressief
zijn. Een aantal modernere rechtse theoretici beweert dat hebzucht en
agressie positieve en progressieve, vooruitstrevende eigenschappen zijn.
De
eugenetici(*), inclusief de nazi's, beweerden (beweren) dat het
noodzakelijk is om kunstmatig in te grijpen als het gaat om het
voorkomen dat 'inferieure' individuen zich voortplanten. Dat ingrijpen
kan door gedwongen sterilisatie of door hen simpelweg te vermoorden.
Deze opvatting werd zichtbaar toen de nazi's de logische conclusie ten
uitvoer brachten in de gaskamers en de Holocaust. Maar zelfs nog daarna
zijn een aantal regeringen in Scandinavië, de Verenigde Staten,
Zwitserland en Australië tot enkele tientallen jaren geleden doorgegaan
met het gedwongen steriliseren van jonge mensen die bestempeld werden
als 'inferieur'. Dit gold ook voor mensen met leerproblemen, zigeuners,
Australische Aborigines en andere etnische minderheidsgroepen.
Maar als
Darwin iets heeft aangetoond dan is het juist dat in een onzekere en
steeds veranderende omgeving elke soort de grootst mogelijke
genenvoorraad nodig heeft (verspreid over verschillende leden van de
soort, nvdr), voor de beste kans op overleving. De eugenetici, door te
proberen de genenvoorraad te beperken, maken het moeilijker voor de
mensheid om te overleven. Onze kracht ligt juist in onze diversiteit,
elk individu brengt zijn eigen kracht mee in het collectief, terwijl het
collectief steun geeft aan elk individu. (einde deel 1, volgende keer
slot)
Dit jaar
herdenkt men wereldwijd dat 200 jaar geleden Charles Darwin werd
geboren, een timide natuuronderzoeker die het wetenschappelijk
establishment op zijn grondvesten deed schudden omdat hij voor zichzelf
en de wereld de bewijzen voor zijn wetenschappelijke waarnemingen niet
kon ontkennen: hoe de soorten van de ene in de andere evolueren. (deel 2
en slot)
Darwin
had Malthus gelezen en Adam Smith, de grondlegger van de kapitalistische
economische theorie. De laatste beweerde dat concurrentie op de markt
leidt tot competente en efficiënte producenten die goederen leveren
tegen een lage prijs en daardoor succesvol zijn, terwijl inefficiënte
producenten, die hun goederen tegen een hoge prijs verkopen, failliet
gaan en op die manier zouden de beste productiemethoden de overhand
krijgen op de inferieure methoden.
Het
commentaar van Engels daarop was: "Darwin wist niet wat een bittere
satire hij schreef over de mensheid, in het bijzonder over zijn
landgenoten, toen hij aantoonde dat vrije concurrentie, de strijd om het
voortbestaan die economen vieren als de belangrijkste historische
prestatie, de normale staat is van het dierenrijk."
Maar
Darwin had het alleen over geschiktheid in relatie tot een bepaalde
omgeving, niet in de zin van een absolute schaal van perfectie. Het is
zelfs zo dat geen van de twee begrippen waarmee Darwin's naam in het
bijzonder worden geassocieerd, 'evolutie' en 'survival of the fittest'
(overleven van de sterkste), voorkwamen in de vroege edities van 'The
Origins of the Species', waar deze kernbegrippen worden aangeduid met de
termen 'veranderlijkheid/aanpassingsvermogen' en 'natuurlijke selectie'.
Op 18
juni 1862 schreef Marx aan Engels: "Darwin, die ik opnieuw bestudeerd
heb, amuseert me als hij zegt dat hij de 'Malthusische' theorie ook
toepast op planten en dieren. Alsof met betrekking tot meneer Malthus
niet juist het kernpunt is dat hij zijn theorie niet toepaste op planten
en dieren, maar alleen op mensen - en aan de hand van een meetkundige
reeks - als tegenovergesteld aan dieren en planten.
Engels
wees er ook op dat: "Darwins misvatting juist verscholen zit in het op
één hoop gooien van twee absoluut gescheiden zaken in zijn begrip
'natuurlijke selectie' ofwel 'survival of the fittest':
1.
Selectie onder druk van
overbevolking, waarbij misschien in de eerste plaats de sterksten
overleven, maar waarbij de zwaksten in veel gevallen toch ook kunnen
overleven.
2.
Selectie door een groter
vermogen tot zich aanpassen aan veranderde omstandigheden, waarbij de
overlevenden beter zijn toegerust voor het leven onder die
omstandigheden, maar waarbij die aanpassing in zijn totaliteit zowel
vooruitgang als achteruitgang kan betekenen (want een overgang naar
parasitair leven is altijd een achteruitgang).
"Het
belangrijkste punt: dat iedere vooruitgang in de organische evolutie
tegelijkertijd een achteruitgang is, omdat één evolutionaire kant wordt
gekozen en daarmee veel andere wegen worden uitgesloten. Dit is echter
een basiswet."
De
aanhangers van Malthus vergelijken mensen met vliegen, kikkers en andere
soorten die honderden nakomelingen voortbrengen, waarvan de meesten
sterven voordat ze volwassen zijn, zodat bij toeval enkelen overleven om
de soort in stand te houden.
Maar de
menselijke soort is heel anders. Wij brengen meestal maar één nakomeling
tegelijkertijd voort, die langzaam volwassen wordt. Wij worden zeer
kwetsbaar geboren, terwijl onze hersenen nog in ontwikkeling zijn. Ons
gedrag als volwassene wordt minder ingegeven door aangeboren instincten
dan door wat we leren terwijl we opgroeien. Onze ervaringen in onze
kindertijd bereiden ons voor met de omgeving waarin we ons bevinden om
te kunnen gaan. Hierdoor zijn we in staat om ons aan te passen aan
vrijwel iedere omgeving.
Maar onze
lange kindertijd, waarin we zeer afhankelijk zijn, heeft tot gevolg dat
we een collectieve, samenwerkende samenleving nodig hebben om in te
leven. Een kikker of een vlieg hoeft alleen lang genoeg te overleven om
te kunnen paren, eieren te leggen en zijn genen kunnen succesvol worden
overgedragen naar de volgende generatie. Mensen moeten niet alleen paren
maar moeten ook een zwangerschap voldragen, de geboorte overleven en hun
nakomelingen grootbrengen. Dat kunnen ze niet alleen, zonder de hulp en
ondersteuning van een groter gezinsverband of samenleving. En het enige
levende wezen waarvan bekend is dat zij een aanzienlijke periode
voortleeft nadat zij niet meer in staat is zichzelf te reproduceren is
de vrouwelijke mens. Er is een duidelijke aanwijzing dat baby's waarvan
de oma nog leeft een grotere kans maken te overleven dan baby's zonder
oma. Het geeft ook aan dat het overleven van mensen afhankelijk is van
een groter familieverband; niet alleen het kleine 'een-man-en-een-vrouw'
kerngezin, dat een product is van de bourgeois maatschappij.
En
tegelijkertijd hebben onze zeer ontwikkelde hersenen, collectief
gebruikt, het mogelijk gemaakt dat de menselijke soort zijn omgeving kan
aanpassen en veranderen (niet altijd ten goede). Door het vermogen om
schuilplaatsen en kleding te maken en vuur te gebruiken kunnen mensen in
veel koudere klimaten leven dan onze voorouders dat konden. Wij kunnen
water door pijpen geleiden en voedsel over lange afstanden vervoeren; we
kunnen voedzame planten zaaien en oogsten en dieren fokken, we kunnen
waardevolle gereedschappen en andere gebruiksvoorwerpen produceren en
ruilen; we kunnen medicijnen maken en toepassen, enzovoort.
De
geschiedenis heeft aangetoond dat Malthus ongelijk had met zijn bewering
dat de groei van de menselijke populatie leidt tot slechtere
omstandigheden en toenemende armoede en hongerdood.
De
bevolking in Europa is constant toegenomen vanaf de tiende tot de
twintigste eeuw en de levensomstandigheden zijn ook verbeterd. In
periodes dat de bevolking tijdelijk afnam had dat niets te maken met
voedseltekorten.
Misbruik van Malthusische principes
De
Dertigjarige Oorlog zorgde voor een halvering van de bevolking van
Duitsland maar de oorzaken daarvan waren politiek, dat had niets te
maken met teveel mensen of te weinig voedsel. De dramatische afname van
de bevolking in Ierland tijdens de aardappelhonger werd niet veroorzaakt
door overbevolking of een voedseltekort. De Engelse eigenaren die het
grootstedeel van de beste grond van Ierland in handen hadden
verscheepten goede tarwe vanuit heel Ierland naar Engeland, maar op
basis van kapitalistische politiek. Op basis van de principes van de
vrije markt weigerde de 'liberale' regering in Londen om maatregelen te
nemen die de vrije handel of vrije prijzen in de weg zouden kunnen
staan, daarom stopten zij de aanvoer van goedkope maïs naar Ierland,
waarmee zij miljoenen veroordeelden tot de dood door uithongering.
De
Malthusische principes van de Engelse regering werden verdedigd door
Charles Grenville, secretaris van de Privy Council [nvdr. Geheime Raad,
adviesraad van de Britse koning(in)] op de volgende wijze: "De staat
waarin Ierland zich bevindt is zeer betreurenswaardig en leidt tot
wanhoop: volledige ongeorganiseerdheid en demoralisatie, een volk dat
vrijwel zonder uitzondering wordt verblind door opstandigheid en
luiheid, roekeloos en wild. Iedereen, van hoog tot laag, is erop gericht
zo weinig mogelijk te doen en zoveel mogelijk te krijgen, niet bereid
zich op te winden of in te spannen. Terwijl ze naar ons land kijken voor
hulp en vervolgens afgeven op de hulp die ze krijgen; de massa's zijn
grof, onbetrouwbaar en verwaand, en de hele gang van zaken in het land
is tegenstrijdig en paradoxaal.
Terwijl
zij volgend jaar geconfronteerd zullen worden met het voortduren van de
hongersnood doen ze niets om de grond te cultiveren, de grond ligt braak
en onbewerkt. Er bestaat geen twijfel over dat de bevolking het over het
algemeen nog nooit zo goed heeft gehad als in dit jaar van hongersnood.
Niemand wil huur betalen en de spaarbanken 'stromen over'. Met het geld
dat ze krijgen vanuit onze hulpfondsen kopen ze wapens in plaats van
voedsel. Met die wapens schieten ze op de officieren die naar Ierland
zijn gestuurd om de distributie van de hulp te organiseren. Terwijl zij
zich verdringen rond de opzichters en hen om werk vragen kunnen de
landeigenaren geen arbeiders krijgen, en gespierde bedelaars noemen
zichzelf behoeftig maar hebben ondertussen grote sommen geld in hun
zakken." (28 november 1846)
Deze
obscene leugen werd gebruikt om de hebzucht van de Engelse landeigenaren
te rechtvaardigen, die het land hadden gestolen van de Ieren en hen
verdreven hadden naar onvruchtbare gronden waar zij van honger zouden
sterven. Dezelfde leugen wordt nu gebruikt om de Palestijnen te
veroordelen.
Recent misbruik van Darwinisme
Nadat zij
enkele tientallen jaren het Keynesianisme hadden omarmd [Nvdr. Keynes
was voorstander van een gemengde economie, waarin zowel de overheid, als
ook de privésector een belangrijke rol speelt en niet alles 'aan de
markt' wordt overgelaten], keerden de leidende kapitalistische denkers
vanaf 1980 weer volledig terug naar de 'vrije markt' als de meest
progressieve kracht in de samenleving. En tegelijkertijd bliezen zij het
Malthusianisme weer nieuw leven in, op basis waarvan zij de armen de
schuld gaven van hun eigen armoede en hun eigen hebzucht en de
onderdrukking van de werkende klasse rechtvaardigden. Zij toonden weer
het beeld van menselijke wezens opgesloten in zelfzuchtige strijd, de
strijd om leven en dood van elk individu tegen allen en allen tegen
iedereen.
John
Forbes Nash, een wiskundige die later in een psychiatrische inrichting
is opgenomen, ontwikkelde de wiskundige principes van de 'Spel Theorie',
vol met gecompliceerde formules die volledige nonsens waren. Richard
Dawkins schreef 'The Selfish Gene', waarbij hij het Darwinisme gebruikte
om de kapitalistische hebzucht te rechtvaardigen. Dawkins had grote
moeite met het menselijke altruïsme (onbaatzuchtigheid), hij kon niet
begrijpen waarom mensen elkaar helpen zonder dat zij daar direct
voordeel van hebben. Uiteindelijk doet hij het af als een tijdelijke
afwijking, mensen bieden anderen gunsten aan alleen maar in de hoop dat
zij daar uiteindelijk iets voor terugkrijgen.
Het
politieke en economische beleid van westerse regeringen in die tijd was
gebaseerd op de gestoorde ideeën van Nash, onder meer de aanname dat
iedereen alle anderen zal oplichten als hij daar de kans voor ziet.
Altruïsme, idealisme en onbaatzuchtigheid werden met grote achterdocht
bekeken; politici die beweerden dat zij zich inzetten voor het belang
van iedereen behalve zichzelf werden helemaal gewantrouwd. Hebzucht en
accumulatie van rijkdom werden gezien als de enige gezonde doelen. En we
kunnen nu zien hoe dit onvermijdelijk heeft geleid tot de huidige
economische crisis.
Maar bij
de mens is altruïsme aangeboren, zonder dat kunnen we niet overleven.
Onze langzaam opgroeiende, intelligente kinderen zouden nooit hun jeugd
overleven zonder het bestaan van een maatschappij die hen en hun
kwetsbare moeders beschermt. En de samenleving zou niet overleven zonder
de opeenstapeling van kennis en wijsheid van de ouderen. We zijn
allemaal afhankelijk. Als er ooit al volledig egocentrische groepen van
mensen hebben geleefd zoals Dawkins ze beschrijft, dan zijn ze lang
geleden uitgestorven.
De
communistische manier van leven staat veel dichter bij onze aangeboren
karakteristieken dan het kapitalisme.
Bron: New Worker (NCPB),
27-2-2009, vertaling J.Bernaven.
www.jawananebedaar.nl
|