جوانان بیدار

Van de woonkamer tot de kroeg

 

 

 

         Ofran Badakhshani

In de grote stad Amsterdam, in stadsdeel zeeburg, wonen wij. In een oud huis dat oorspronkelijk voor gastarbeiders was gebouwd. Het is een lelijk huis, zegt mijn moeder altijd. Mijn vader, alleen om mijn moeder tegen te spreken, beweert altijd in het tegendeel te geloven. Mij boeit het niet echt zo. Voor mij is het maar een slaapplek. Voor mij was het nooit echt een thuis geweest. 

Mijn ouders zijn Afghaans. Ik ben Afghaans opgevoed en in Nederlands gevormd, zeg ik zelf dan altijd. “Maar dat is toch ook zo”, zegt mijn broertje van acht. “Mens wordt toch altijd door, hmm, hoe zeg je dat ook alweer, door zijn omgeving ofzo gevormd”?

Thuis lopen wij allemaal, oud en jong graag met een masker op. Om de zoveel tijd, afhankelijk van wie wij over de vloer hebben, zetten we een ander masker op. Soms zijn we erg liberaal en vrijdenkend, met progressiviteit en moderniteit bestempelen we ons ook wel eens graag. Maar meestal offeren we die progressiviteit en moderniteit op voor een stuk Afghaanse eer, traditie of naam van de familie, bijvoorbeeld wanneer mijn zus een half uur te laat thuis aankomt, omdat haar college uitliep of omdat ze haar bus, tram, of trein heeft gemist.

Ik heb daar, gelukkig, geen last van. “Ik ben een man, ik moet in het leven kunnen experimenteren, alles zien, doen en laten” zegt mijn moeder tegen mij. Maar mijn zus kan dat pas als ze het huis uit gaat. “Ze moet eerst met een goede en schone naam ons huis verlaten”.

Mijn broertje zegt altijd dat hij daar helemaal niets van snapt.

Ik heb een goed band met mijn zus. Soms lijkt het erop dat zij de wereld altijd en alleen door mijn ogen heeft gekend. Als ik uit ben geweest, moet ik haar altijd vertellen hoe het was. In het begin kwam ze altijd met een hetzelfde vraag, “en ben je hellemaal uit je dak gegaan?”

Wist ik veel dat zij niet eens wist wat uit je dak gaan betekende. Ik moest haar alles vertellen. Hoe het was om dronken te zijn tussen al die wild vreemde mensen. Wat mijn eerste zin was als ik een vreemde en meestal dronken meisje aansprak. “Hoe orden je je woorden” vraagt mijn zus. “Hoe weet je dat je de juiste woorden spreekt? Kun je ze gewoon zomaar aanspreken?”

Ze heeft mijn leven dus ook hellemaal uitgeschetst. “Weet je wat ik allemaal zou hebben gedaan als ik jou was”, zegt ze altijd. “Ik zou de wereld laten weten en zien dat ik besta. Ik zou best een muziekkante kunnen zijn, of een beeldhouwster. Dan kon ik, denk ik, mijn pijn en woede onder woorden brengen. Nou niet in woorden dan, wel in noten, lijnen en kleuren”.

En ik snapte dat nooit. Ik dacht altijd dat, iets dat je nooit hebt gehad ook niet kunt missen, maar mijn zus heeft me op een of andere manieren laten inzien dat het tegenovergestelde waar is.

Ik wist toen nog niet dat het leven, slechts een verzameling is van de kleine betekenissen dat onze doen en laten aan ons toe heeft geschreven. Ik wist toen nog niet dat men vrijheid niet kan bezitten, en dat het slechts een behoefte is, en dat een behoefte nadat het gekend is niets meer dan een behoefte kan zijn.

Ik kan me er eindelijk iets bij voorstellen. Ik denk eindelijk door de ogen van mijn zus te kunnen kijken. Ik kan begrijpen dat zij het erg zwaar heeft, het is uiteindelijk een leven dat voor haar gekozen is.

Ik heb het ook zwaar. Maar als het mij te veel wordt, besluit ik de deur uit te gaan. Ik sta met heel veel en woede op, maar zodra ik op de gang ben, besef ik me dat ik anders ben dan mijn Nederlandse vrienden. Ik besef dat ik als een grote jongen nog om toestemming moet vragen van mijn ouders , wil ik in kroeg om de hoek een biertje gaan drinken. Niet dat ik dat kan vragen. Maar ik kan wel een van mijn vrienden bellen en beloven dat, als hij bij mij thuis belt en iets verzint om mij uit het huis te krijgen, doe ik hetzelfde bij hem zodra ik buiten de duur ben. Liegen werkt meestal wel. Vooral bij mijn moeder.

Zodra ik buiten ben, begin ik zoals mijn zus het zou hebben verwoord, de vrijheid te ruiken. Met iedere stap die ik naar de kroeg neem, valt er een laagje van mijn maskers af. Hierdoor wordt de afstand tussen mij en eer, traditie, cultuur, religie steeds groter terwijl de afstand tussen mij en kroeg steeds kleiner wordt. Dan heb ik het gevoel dat ik steeds mezelf nader. Het is iedere keer wennen om mezelf te zijn. Ik heb door de jaren heen het masker zodanig me eigen gemaakt, dat het een onderdeel van mijn aard is geworden. Soms is het zelfs pijnlijk om mezelf te zijn. Dat wat ik niet ben, blijkt soms aangenamer te zijn.

Ik kan ook op vakantie gaan, alleen of met vrienden. Mijn zus mag dat vergeten. Ook al zegt ze tegen haar Nederlandse vriendinnen dat ze het gewoon niet wil en dat ze geen behoefte heeft aan vakantie. Haar Nederlandse vriendinnen blijven dat onbegrijpelijk vinden. “Mag het van je ouders niet of zo?” heeft een van hen, haar gevraagd. “Nee, nee, natuurlijk niet, waarom zou ik van mijn ouders niet op vakantie mogen”, zegt mijn zus dan. “Wij zijn niet zoals andere Afghanen hoor, wij zijn …”.

In de kroeg ken ik veel mensen. Ik kom er best vaak. Van de eigenaar tot de medewerkers en met sommige gasten, heb ik inmiddels een band. Met de meesten heb ik een je en jij relatie. Het is geen toeval dat ik steeds naar dezelfde kroeg ga, laat ik dat maar even bij vertellen. Hier werkt, Marloes, de mooiste vrouw van Amsterdam die achter bar een staat.

Marloes heeft een lichaam waarnaar iedereen, man en vrouw, graag kijkt. Het is een goddelijke. Haar borsten zijn altijd half te zien. Ook zo mooi gevormd, net een druppel water op een blad, of een glas. Iedere keer als ze in haar truitje met witte spaghettibandje achter de bar staat, word ik alleen maar meer dorstig van en de gemiddelde man in de kroeg ook. Haar achterste moet door Picasso geschetst zijn, zo mooi gevormd is het wel. Het zou niet gek zijn om te zeggen dat, de perfectie zich in haar lichaam heeft gemanifesteerd.

De weg naar de kroeg is de weg naar vrijheid. Of zo voel ik en ervaar ik het in iedere geval wel. In het begin was het moeilijk. Toen ik voor eerst deze kroeg binnen was gegaan, had ik het erg zwaar om mezelf te zijn. Ik kende dat niet, ik was bang om mijn ware gezicht te laten zien. Ik moest de dappere man spelen die in staat is zichzelf achter de mooie en dure woorden te verbergen. Ik dacht dat het goed was. Ik dacht dat het leven daar om draaide, anders doen dan dat je bent. Ik had het niet anders gekend, ik had het ware gezicht van mijn vader ook nooit gezien. En….

In de kroeg begon ik altijd bij de bar. Naar een paar biertjes, als ik een beetje aangeschoten was, ging ik steeds dieper de kroeg in. Vanaf de bar kon je of naar de kelder of met een trapje naar boven. Beiden kanten was altijd erg druk. Ik ging met mijn biertje in hand nog even op de trap staan en kijken waar ik een vrij zit kan vinden waar minderen mannen zijn.

Zodra ik een plaats had gevonden, rende ik als een gek er naar toe. Daar zat ik dan, in de hoop dat een van de dames iets zei, zodat ik een gesprek kan beginnen. Meestal kwam er niets van. Ze waren altijd met een groep. Oh, ik heb een hekel aan meisjes, wanneer ze in groepjes zijn. Want dan zijn ze ook moeilijker te benaderen.

Ik wist niet dat het onzin was, ik had me altijd laten vertellen dat als men dronken is, dan men dan meer durft. Ik ging dus steeds naar Marloes om bier te halen. Marloes is niet alleen een geile vrouw, ze heeft ook super leuk humor. Iedere keer als ik naar de bar ging om een bier te halen, begon ze weer over mijn borst haar. Ze noemden mij, “haar SG Afghaantje” en ik wist niet wat dat betekende, maar het blijkt super geil te betekenen heb ik me laten vertellen. Ze zij altijd, “hey, als je nog een knopje van je overhemd open maakt, zodat ik wat meer van je borsthaar kan zien, krijg je een gratis biertje”. “Ik zou het zo hebben gedaan jongeman”, riep de oude man die altijd op dezelfde kruk zat.

Terug bij mijn tafel, pas wanneer ik echt zware dronken was, durfde ik te vragen of iemand een sigaretje kon missen. Ik rook niet eens, maar dat was dan mijn openingszin en niet de beste zoals je merkt. En zo begon ik te praten. De muziek op de achtergrond was altijd erg luid. Het was moeilijk om elkaar te verstaan, maar wij bleven doen alsof ons gesprek ergens over ging. Ik moest het steeds in haar oor zeggen. Het was te donker om het kippenvel op haar wangen te merken, maar ik merkte wel dat zij losser was geworden. Ze begon met haar haren te spelen en ze zei dat ik best mooie ogen had. En ….

Net op het moment dat ze mij dreigde te zoenen, riep Marloes, dit is de laatste ronde. Ik probeer dan nog van alles om de vraag, of ik nog iets wil drinken, te vermijden, maar tevergeefs. In iedere groep zit er altijd een trut, die het voor iedereen verpest. “We moeten nu echt weg”, riep haar dikke vriendin. Zij stonden op en Marloes begon ook te roepen, “hey Afghaantje, geef het op, ze vallen niet op behaarde Afghanen. Heb je aan mij niet genoeg dan”?

Het is dan meestal over tweeën als ik de kroeg verlaat. Buiten is het pikdonker. Onderweg naar huis moet ik alle weggevallen stukjes van mijn masker nog vinden en het weer op mijn gezicht zetten. Anders kan ik ons huis niet binnen. Een keer naar huis regende het erg hard. Op die nacht heb ik een klein stuk van mijn masker niet kunnen vinden. Toen ik thuis was, niemand wilde me meer herkennen, omdat ik een stuk van mezelf naar huis had meegenomen.

Hey maar, zegt de jongen die tegenover me in de trein zit opeens. “Ik moet hier uitstappen. Dank voor je geduld en bedankt voor het luisteren”. Ik had hem nog zo veel willen vragen, ik kreeg niet eens de gelegenheid te vragen hoe hij heet. De jongen waarmee ik de afgelopen twintig minuten een coupe deelde verliet haastig de trein. Ik probeerde nog gedag te zeggen, maar hij was al uit de trein gestapt. Gelukkig kon ik nog via het raam hem tot ziens zwaaien.

Ik wilde graag nog zo veel zeggen. Op zijn minst dat ik mezelf in zijn verhaal herken, maar helaas pasten al deze woorden niet in een zwaaigebaar.

 

 

 

www.jawananebedaar.nl